Brief aan Karel

13 april 2021

De solo audiovoorstelling V. kun je beleven op Moving Futures Festival 2021, lees meer over het project en koop je kaartje hier.

Anna krijgt een brief van Karel Tuytschaever. Een toelichting op zijn project V. De vraag om op een bepaald moment te gaan zitten, op een bepaalde plek, in haar stad. Een plek die iets voor haar betekent. Om in te ademen en uit te ademen en te weten dat ze goed is zoals ze is. Om daarna te beginnen, te luisteren en kijken. Dat doet ze.

Een dag later schrijft ze hem terug.

Dag Karel,

Dank voor je uitnodiging. Het lukt me in eerste instantie niet, je bestand van mijn laptop op mijn telefoon te zetten, maar valavond is al begonnen. En dat is jouw opdracht, ga, met valavond, naar buiten. Daarom neem ik de laptop mee. En een fles wijn. Ik trek een dikke jas aan en loop mijn rondje kanaal. Tot halverwege, waar ik sinds de lockdown in maart, vorig jaar, zo af en toe een fotootje maak, in de spiegel die daar staat. We zien deze plek, vanuit onze bovenwoning. Die spiegel was ooit nuttig, voor in- en uitrijdend verkeer. Hij stond tegenover een loods waar post werd gesorteerd. Die loods is afgebroken, want hier aan dit kanaal komt een nieuwe wijk, de meest groene van onze stad.

Ik zit met mijn rug tegen een hek. Ik kijk, tijdens het blauwe uur, naar mijn eigen woning. Achter het water. Achter de woonboten. Sinds ik je brief kreeg, verheugde ik me erop hier te gaan zitten. Ik heb vaak op deze plek eventjes stil gestaan. Maar ik zat er nooit. In onze woonkamer is het licht uit, op het lampje dat boven onze tafel hangt na. Mijn man is niet thuis, hij wandelt. Ons kind is niet thuis, die logeert. Er is niemand. Dat kwam, het laatste jaar, gedurende de pandemie, niet vaak voor.

Ik voel me ongemakkelijk. Is het eigenlijk wel veilig, om hier te zitten? Is het niet te afgelegen? Er komen joggers voorbij en wandelende koppeltjes. Fietskoeriers met vierkante rugzakken op hun rug in blauw en roze. Ik hoor mensen bellen in verschillende talen en een groepje van drie vrienden heeft, net als ik, een glas wijn bij zich. Maar niemand zit stil. Ik knik bemoedigend naar iedereen die me ziet. Naar de lange man met het hondje, klein, wit en aan een lijn. Het dier lijkt ook verbaasd, dat ik hier zit, op deze hoogte.

Er zijn twee stemmen. Op sommige momenten hoor ik de één links, de ander rechts, in mijn koptelefoon. Ze vullen elkaar aan en gebruiken af en toe dezelfde woorden. Hij schetst het beeld van een vrouw. Ze reist, nee, ze studeert, geneeskunde. Ze is blond, of had ze nu toch bruin haar? Hij herinnert het zich verkeerd, zegt zij later. Ik probeer me een voorstelling bij hen te maken. Het beeld is zwart. Ze slaapt, hij luistert. Ze vrijen, raken zichzelf aan. Tegelijkertijd passeert een volwassen man op een skateboard. Hij stept drie keer en zet daarna beide voeten op het board. Hij rolt voorbij, over het verkeersheuveltje, ziet mij niet. In een woonboot gaat het licht aan. Ik zie een keuken, die vrij snel daarna weer aan het zicht onttrokken is. Iemand heeft de vitrages dichtgedaan maar dat heb ik gemist. Ik kijk naar de blauwe en grijze lucht. De wolken. Meer en meer lichtjes in de spiegel, het zijn de ramen van woningen waar mensen wonen, anderen, ver weg, achter het braakliggende terrein. Een ronde horizon.

Er zijn lijven en stemmen. Geen namen. Er is een telefoonnummer, zijn nummer. Hij heeft haar nummer niet, hij kan haar niet bellen, zij belt hem. Er zijn afspraken. Zij komt niet, ze is er niet, ze is er nooit. Toch blijft hij hun afspraken nakomen. Hij blijft geloven dat ze er zal zijn. Dat er een goede reden is, waarom ze niet kwam. Hij zit op een bankje voor het museum, waar ze hebben afgesproken. Zij heeft hem gezien. Hoe hij daar zat. Een doorzichtige bloes. Ik denk aan mijn vader. De foto die ik van hem vond in een oud fotoboek, waarop hij een doorzichtige bloes droeg, die openviel. Een ketting met een kruis eraan, borsthaar. Ik heb mijn vader, zolang ik hem kende, nooit gezien zonder baard. Hij is knap vind ik en jong. Hij heeft een kuiltje in zijn kin. Ik haal de foto uit het boek en raak hem kwijt. Ik kan er niet meer naar terug Alleen nog naar het beeld dat ik er in mijn hoofd van bewaar. Net als zij, zij die naar hem keek. Die hem zag vanuit een auto en niet uitstapte maar doorreed.

Weet ik dan al dat ze ziek is, dat ze dood gaat? Heb ik de zachte pianoklanken van Nils Frahm al gehoord? (Of is het niet Nils Frahm? Ik dacht het te herkennen, dat gedempte geluid, alsof je zijn piano kan aanraken.) Op een bepaald moment springen de straatlantaarns aan. Ik reageer hardop. Een kreet. Zo gaaf is het.

Op een dag ontvangt hij een foto. Een foto van een vrouw met lang blond haar. Zijn verlangen is weg. Direct. Ze praten er niet over. Zij blijft hem bellen. Ik merk dat ik bezig blijf met de realiteit van het werk. Dat ik probeer er grip te krijgen. Dat ik probeer de wereld die ik zie en degene die ik hoor, bij elkaar te krijgen. Het lukt me niet. Hij kijkt naar een gezicht. Het gezicht is verwond, maar de blik is dat niet. De ogen zijn twee witte amandelen. Ik stel mijn beeld bij. Ik bouw het op, in mijn hoofd, een wond, met bloed, en daarna stel ik het bij. Ik breek het af en begin opnieuw. Er is sprake van een sokkel. Het moet in een museum zijn. Waarschijnlijk zie ik een Venus. Een klassieke afbeelding van een vrouw, beschadigd in het gezicht.

Voor ons huis staat die dag een filmcrew. Er wordt een pilot opgenomen, met acteurs en iedereen die daaromheen aan het werk is. Het is ondertussen donker en waarschijnlijk zijn ze klaar. Ik zie de bovenkant van het busje, dat al sinds die ochtend om de hoek staat. Het rijdt mijn huis voorbij. ‘Het licht’, staat erop. Inderdaad, denk ik, het is donker, ondertussen. Ik drink, ik kijk, ik luister. Er klinkt een piepje. Ik schrik. In je brief stond, ‘het is afgelopen als er een piepje klinkt en daarna stilte’. Het is maar heel even stil. Daarna gaat het verder na elk piepje, tot het stopt. Ik pak mijn laptop in, mijn koptelefoon en mijn fles wijn. Ik maak met mijn telefoon een foto van mijn uitzicht en van de spiegel. Daarna sta ik op en loop door.

Ik verbaas me, over mijn focus. Ik merk dat mijn voorstellingsvermogen training mist. Ik heb zo weinig dingen gezien, het afgelopen jaar. Ik heb me, zo zelden, over hoeven geven aan de fantasie van een ander, aan de verbeelding van een ander. Pas als ik weer alleen ben en ik me nergens meer toe hoef te verhouden, lukt het me ze bij elkaar krijgen. Mijn wereld en jouw wereld, Karel. Ik zie een man achter een raam, frontaal, de benen omhoog in een gemakkelijke stoel. Hij ligt daar niet voor mij. Ik passeer hem en mag niet op die manier naar hem kijken, vind ik, het is niet netjes. Maar het gebeurt. Het overvalt me, mijn eenzaamheid, mijn opgeslotenheid, het feit dat we elkaar al meer dan een jaar niet hebben aangeraakt.

Als ik thuis kom, brandt nog steeds alleen het licht boven de tafel. Er slaapt nog steeds niemand op de bovenste verdieping. Het duurt een paar minuten. Daarna hoor ik de sleutel in het slot. Mijn man is thuis. ”Wil je wijn?”, vraag ik. “Nee,” zegt hij, “ik voel me niet zo lekker.” “Oké”, zeg ik. Ik heb geen zin hem over mijn ervaring te vertellen, ik voel geen behoefte er woorden aan geven. Ik bewaar het voor nu, voor dit moment, voor als ik je schrijf.

Bij deze,
Anna.

Anna van der Kruis is schrijver en de master van Dance&Dare/Dans&Durf, een cursusreeks en beweging van DansBrabant en Domein voor Kunstkritiek waarin schrijvers zoeken naar nieuwe woorden voor nieuwe dans. Zie: https://www.echtanna.nl/ en lees D&D-essays op het DansBrabantBlog.